Een stip in de statistiek

Bij sommige mensen is alles nep. Met geurtjes, kleurtjes, botox, chirurgische ingrepen en geleend geld bouwen ze door de jaren aan hun imago. Ooit het exclusieve domein voor de ‘ijdele’ mens, waar het volk niet veel respect voor had, omdat je kon zien en ruiken dat die lui niet werkten. (Wat zij onder werken verstonden). En met geleend geld je imago ‘inkleuren’ was het summum. 

 

Tot in de jaren zestig was ‘cosmetica’ een luxe. In bepaalde streng religieuze segmenten van de samenleving was het verboden, en ouders zagen er in sommige gevallen streng op toe dat hun kinderen niet aan die verleiding toegaven. Daar leefde sterk het idee dat de wereld van de verleiding een tragische vergissing was. ‘Puur’ was de norm. Ironisch genoeg vind je dat nu nog terug bij zekere groepen die de wereld willen verbeteren, en die afgeven op ‘burgerlijkheid’, terwijl ze exact hetzelfde doen, middels sierraden, tatoeages, haardracht en uiteenlopende ingrepen die hun ‘individualiteit’ moeten benadrukken, alsmede ‘donaties’ die niet voortkomen uit compassie, maar waarmee ze hun imago ‘inkleuren’.

 

De wisselwerking tussen uiterlijke nep, en mentale processen en gedachten die ver verwijderd zijn van het ‘origineel’, die ‘ijdel’ zijn, zien we bij anderen vaak wel, maar bij onszelf ontkennen we ze. Zoals geschetst is dat markant bij ‘wereldverbeteraars’ die afgeven op de ‘bourgeoisie’, wat zich soms vertaalt in regelrechte haat, terwijl ze geen haar beter zijn. Het culmineert in nep-herinneringen, en op zeker moment is er niets over wat nog écht is. En als dat kwartje valt, zijn de rapen gaar! 

 

De ‘pure’ mens is geen bouwdoos die leidt tot een gepolijst eindresultaat, maar een ‘work-in-progress’ tot het eind. De originele ‘ijdelheid’ is relatief onschuldig, waar het de vertaling is van een ‘schoonheidsideaal’. Waarom zou je je schamen voor datgene wat de zintuigen bekoort? Iets is mooi, of niet. Erover kissebissen mag, maar waarom zou je er ruzie over maken? Iets, of iemand, die niet mooi is op het eerste gezicht, zoals de zintuigen het waarnemen, kan bij nadere kennismaking een bijzonder innemend mens zijn, of bij een ding, een zeer vakkundig geconstrueerd object. Ruwe bolster, blanke pit. 

 

Waar mensen zich afzetten tegen ‘ijdelheid’, en ze werken aan een imago waarin dat tot uitdrukking komt, zijn ze net zo goed nep. ‘Streng’ voor zichzelf, en vervolgens ook voor anderen, is net zo ver verwijderd van het origineel, maar in tegenovergestelde richting. Al die ‘wereldverbeteraars’ die steeds nieuwe dingen verzinnen die we niet meer mogen, of juist moeten, zijn de overtreffende trap van ‘ijdelheid’, in het bijzonder als ze in één moeite door zekere uiterlijke kenmerken identificeren als ‘van belang’ voor de status van een medemens. Man, vrouw, kleur van de huid, leeftijd, haardracht, kleding en schoeisel, vervoermiddel, eten op het bord, sierraden en tatoeages. 

 

Originele ‘ijdelheid’, alsmede originele ‘strengheid’, komen voort uit onze aanleg, en zijn van belang als ‘persoonlijkheidskenmerk’. Ze groeien op onze originele gedachten, gevoelens, sentimenten en emoties. Waar omgevingsinvloeden zorgen voor de onderdrukking van tegengeluiden spreekt de optimist van ‘scholing’ en ‘opvoeding’, en de pessimist van ‘vervreemding’. Een té grote spanning tussen wat je origineel denkt en voelt, en wat je opgelegd hebt gekregen, of waar je door gebrek aan wilskracht aan hebt toegegeven door je te conformeren, zonder logische basis, maakt mensen ziek. Geestelijk en fysiek. 

 

In een wereld die ‘behavioristisch’ wordt gemanipuleerd, is zelfs het zoeken naar je identiteit in dat doolhof van ‘ijdele’ en ‘strenge’ wanen en expressies onbegonnen werk. Het is een valkuil. ‘Originaliteit’ als een plicht die roept. Gekkigheid. Onvoorspelbaarheid. Niet alleen voor anderen, maar ook voor jezelf. Toegeven aan uitzinnige impulsen en grillen, en volhouden dat je heerlijk ‘jezelf’ bent. Maar in de praktijk raak je de controle over wie je bent kwijt, en lever je jezelf uit aan ‘marktpartijen’ die jou zien als een ‘commodity’. Als handelswaar. Van een mens met een geurtje en een kleurtje, ben je gereduceerd tot geurtje en kleurtje. Een object dat kwantificeerbaar is, en als koopwaar over de toonbank gaat. Een stip in iemand’s statistiek.

Go Back